Alle categorieën

  Artikel 7 van 34

«« Eerste « Vorige  |  Volgende » Laatste »»

Vanaf 1 januari 2017! (Actualiteit)

2015/08/07

Bijkomende maatregelen noodzakelijk ter beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken.

T.a.v. de exploitant / milieudienst | Aug 2015

Vanaf 1 januari 2017!

In deze nieuwsbrief wensen we de teksten te belichten uit het ontwerp VLAREM- trein die gaan over de beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken. Er komt namelijk een nieuw hoofdstuk 6.12 in het deel 6 van titel II van het VLAREM welke van toepassing zijn voor niet-ingedeelde inrichtingen, dus voor iedereen in Vlaanderen.

Het ontwerp van de eerste VLAREMtrein 2015 (voorjaar) is eerder aan een publieke consultatie onderworpen in februari 2015. Hierbij kon men opmerkingen formuleren tot 23 februari 2015 aan de afdeling milieuvergunningen van het departement LNE. Inmiddels zijn de opmerkingen verwerkt en heeft de Vlaamse Regering op 26 juni 2015 een principieel akkoord gegeven aan de gewijzigde ontwerptekst. Over deze ontwerptekst wordt momenteel advies ingewonnen van de SERV, de MiNaraad en de SALV.

Wat betreft lastenboeken, bestekken en offertes kan hier echter rekening gehouden worden dat de maatregelen voorzien voor de beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken vanaf 1 januari 2017 ten laste zijn van de uitvoerder (aannemer). De teksten zijn ontstaan in overleg met de Vlaamse Confederatie Bouw. Hoewel de tekst nog niet definitief is en ook nog in het Belgisch staatsblad moet komen kan men al in het lastenboek, bestek en offertes wijzen op deze maatregelen en voorziene inwerkingtreding.

Hieronder geven we uitleg, komende van het verslag aan de Vlaamse Regering, over de ontwerptekst die deze maatregelen beschrijven. Voor de eigenlijke ontwerptekst kan men het document op de website van envicas downloaden http://envicas.be/vlarem-trein.html

Art. 138

Dit artikel voegt een hoofdstuk 6.12 “beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken” toe aan deel 6 van titel II van het VLAREM.

De voorbije decennia zijn reeds heel wat maatregelen genomen door verschillende actoren (industrie, transport, landbouw en huishoudens) om de uitstoot van fijn stof en de chemische voorloperverbindingen terug te dringen. Dat heeft geleid tot een duidelijke verbetering van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof. In enkele specifieke zones is het echter nodig om nog een tandje bij te steken, omdat fijn stof daggrenswaarde er nog wordt overschreden, met als gevolg een lopende inbreukprocedure ten aanzien van de lidstaat België omwille van het niet naleven van de Europese richtlijn luchtkwaliteit waarin de PM10-daggrenswaarde is opgenomen (2008/50/EG). De overschrijdingen of heel hoge concentraties worden hoofdzakelijk vastgesteld in meetpunten in binnenstedelijk en industrieel gebied, en ter hoogte van drukke verkeersassen. Via doelgerichte en efficiënte maatregelen moet het mogelijk zijn om ook op deze locaties de uitstoot terug te dringen zodat fijn stof daggrenswaarde er op een duurzame manier wordt gerespecteerd. Dat is in het bijzonder van belang vanwege de hoge blootstelling van de bevolking.

Daartoe is het nieuwe hoofdstuk 6.12 uitgewerkt met als doel het beheersen van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken. De fijn stof metingen en chemische analyses van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) tonen immers aan dat het fijn stof dat vrijkomt tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken vaak leidt tot significante verhogingen van het lokaal gemeten fijn stof. Ook worden regelmatig klachten geregistreerd omwille van de hinder die het vrijgekomen stof teweegbrengt bij omwonenden. De voorliggende reglementering draagt bij tot zowel een vermindering van het aantal klachten als tot het voldoen aan de Europese normen.

Deze nieuwe bepalingen zijn besproken met de Vlaamse Confederatie Bouw, en met enkele entiteiten van het beleidsdomein MOW (AWV, W&Z NV, afdeling algemeen beleid). De verkregen commentaren zijn verwerkt waardoor de voorliggende reglementering het akkoord kreeg van de VCB en van het beleidsdomein MOW.

Het artikel 6.12.1. bepaalt dat de bepalingen van dit hoofdstuk enkel van toepassing zijn op activiteiten in openlucht die worden uitgevoerd door een aannemer. Het begrip ‘openlucht’ moet geïnterpreteerd worden als de omschrijving in het groot woordenboek der Nederlandse taal met name ‘onder de vrije hemel, niet in huis’.

Dat betekent dat werken in een tunnel of onder een dak niet door deze reglementering gevat worden. Ook voor het begrip ‘aannemer’ moet teruggevallen worden op de omschrijving in het groot woordenboek der Nederlandse taal, met name: ‘iemand die zich verbindt enige arbeid of een leverantie op bepaalde voorwaarden uit te voeren; in het bijzonder iemand die de uitvoering van bouwwerken, weg- en waterwerken onderneemt’, en aannemerij: ‘het voor een overeengekomen prijs uitvoeren van bouwwerker’. Activiteiten die worden uitgevoerd door een particulier vallen dus niet onder het toepassingsgebied. Activiteiten die door een aannemer worden uitgevoerd in opdracht van een particulier dan weer wel.

Het artikel 6.12.2 beschrijft het algemene voorzorgprincipe. De verdere uitwerking van dit principe volgt in de volgende artikelen.

Het artikel 6.12.3 omschrijft drie concrete maatregelen voor het voorkomen van stofemissies die afkomstig zijn van breekwerken, zandstralen, polijsten, slijpen, boren, frezen, zagen en slopen. Minimaal een van deze drie maatregelen moet genomen worden.

Het artikel 6.12.4 bepaalt dat verneveling of bevochtiging moet toegepast worden tijdens sloopwerken onder droge of winderige weersomstandigheden waarbij visueel waarneembare stofverspreiding optreedt.

Het artikel 6.12.5 bepaalt dat bepaalde installaties moeten onderhouden en gecontroleerd worden, en dat stoffilters tijdig moeten vervangen worden.

Het artikel 6.12.6 legt een snelheidslimiet van 20 km/h op aan voertuigen die rijden op bouwwerven. Voor werfwegen bij wegwerkzaamheden is de snelheidslimiet minder streng omdat langere afstanden moeten afgelegd worden. Met name bedraagt voor zware voertuigen (met een brutogewicht van 3.500 kg of meer) die beduidend meer stof doen opwaaien tijdens het rijden over de werfwegen de snelheidslimiet 30 km/h; voor lichtere voertuigen is dat 40 km/h.

Het artikel 6.12.7 bepaalt dat procedures en instructies moeten ter beschikking gesteld worden aan het personeel. Die in overweging te nemen elementen bij het opstellen van procedures en instructies worden opgenomen in een nieuwe bijlage 6.12.

Het artikel 6.12.8 bepaalt dat de bepaling in werking treden vanaf 1 januari 2017. In de periode daaraan voorafgaand zal de Vlaamse overheid een sensibilisatiecampagne voeren om de wetgeving bekend te maken aan de vele aannemers en bouwbedrijven die er door zullen gevat worden.

Art. 153

Dit artikel voegt de bijlage 6.12 “In overweging te nemen elementen bij het opstellen van procedures en instructies voor de reductie van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken die plaats vinden in open lucht en die worden uitgevoerd door een aannemer” toe aan titel II van het VLAREM. De toevoeging van de bijlage 6.12 volgt uit de toevoeging van het nieuwe hoofdstuk 6.12 “beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken” aan deel 6 van titel II van het VLAREM. Meer bepaald wordt in het nieuwe artikel 6.12.7 gesteld dat procedures moeten gesteld worden ten behoeve van het eigen personeel en het personeel van derden. De code van goede praktijk beschrijft enerzijds enkele algemene maatregelen ter beperking van stofverspreiding, en anderzijds concrete maatregelen bij het gebruik van grijpers en wielladers, bij het laden en lossen van vrachtwagens, en het uitvoeren van sloopwerken, breekwerken, zandstralen, polijsten, slijpen, boren, frezen en zagen.

«« Eerste « Vorige  |  Volgende » Laatste »»

  Artikel 7 van 34